De Suzuki methode

Basisopvattingen van de moedertaal-methode:

2. Omgeving

Met het woord omgeving ontmoeten wij een andere belangrijke opvatting van de moedertaalmethode. De omgeving is van vitaal belang voor het kind, omdat het hierdoor al dan niet tot spreken komt.

In 1839 werd Darwins eerste kind geboren: hij maakte aantekeningen van de ontwikkeling van zijn kind. Bij de publicatie van zijn bevindingen veertig jaar later schreef hij: “Geen periode in het menselijke leven is zo belangrijk als de eerste 3 à 4 jaar, omdat het kind in die periode een taal leert. Het kind ontwikkelt zich in en door de taal van zoogdier tot mens, tot een persoonlijkheid”. Steeds wil het kind “meedoen”, meeleven met hetgeen er in de omgeving gaande is. Onverpoosd is de moeder (deel van de omgeving) bezig met haar kind. Welke moeder telde het aantal keren dat zij het woordje “mama” aan haar kind voorzegde? Was het duizend, vijfduizend , tienduizend maal? Onverpoosd bleef de moeder het woord herhalen, terwijl het kind het woord hoorde en zag uitspreken. Het kind wilde nabootsen, oefende zijn spieren (schreien, tateren), leerde ze geleidelijk aan beheersen en was tenslotte in staat om zijn eerste woord uit te spreken. D.w.z. dat het kind van dit eerste woord de “betekenis” kende, en ook wist dat de toehoorder aan het woord dezelfde “betekenis” gaf. Hoort men ergens: de moeder greep woest haar kind vast en schreeuwde: ik heb het je nu reeds dikwijls voorgezegd, wanneer ga je het nu uitspreken? Sommige kinderen zullen hun eerste woordje vlugger kunnen uitspreken dan andere, maar spreken zullen zij allemaal, als in hun omgeving de herhaling blijft voortduren. En vooral als de omgeving niet enkel haar taak opvat als de zorg voor voedsel, onderdak en opvoeding, maar vooral als het kind ook met liefde omring wordt. Deze liefde is voelbaar voor het kind door de wijze waarop zijn omgeving met hem meeleeft en steeds zijn nieuwe pogingen om zich te uiten of om iets te doen, aanmoedigt. Een kind kan enkel wat zij omgeving hem biedt, leren. Indien Beethoven in het stenen tijdperk leefde, zou zijn ‘9de’ nooit door hem geschreven zijn. Prof. Suzuki zegt ook: “Als wij enkel ’s ochtends en ’s avonds tot een kind zouden spreken, het zou alleen “goede morgen en “goede avond” kunnen zeggen!”

Dezelfde “modus vivendi” kan toegepast worden op het muziekdomein: het kind hoort de muziek en ziet de handelingen. Het wil imiteren, oefent zich tot het zelf tevreden is, wordt aangemoedigd (liefde), blijft luisteren en herhalen tot iedereen herkent wat hij speelt of zingt. Moeder en leraar zullen liefdevol de opmerkingen blijven herhalen, tot ook die eigen aan het kind zijn geworden.

 

Comments are closed.