De Suzuki methode

De Suzuki Methode: wat en hoe?

 

“Any child can be developed, it depends on how you do it.”

Shinichi Suzuki

 

Deze muziS. Suzukikale onderwijs methode, ontwikkeld door Professor Shinichi Suzuki, leert zeer jonge kinderen muziek aan zoals dat gebeurt bij het aanleren van de moedertaal. Professor Suzuki merkte op dat kinderen moeiteloos en nauwkeurig hun moedertaal spreken. Dit toonde volgens hem een merkwaardige bekwaamheid aan. Als kinderen vanaf hun geboorte omringd worden met muzikale klanken zoals ze omringd worden met taalklanken, dan zouden ze eveneens een grote bekwaamheid ontwikkelen voor de muziek.
De doelstelling van de Suzuki methode is veel breder dan kinderen alleen een instrument te leren bespelen. Voorop staat immers de ontwikkeling van het kind tot een goede en gelukkige persoon.

De Suzuki methode stimuleert daarbij het natuurlijke leervermogen dat in ieder kind sluimerend aanwezig is. Ze wil dus niet in de eerste plaats grote muzikale artiesten ‘voortbrengen’. Haar initiële en voornaamste bedoeling is kinderen, jongeren de vreugde van het musiceren te leren ontdekken. Tegelijkertijd wil ze hen de diepe voldoening laten ervaren die gepaard gaat met het besef dat ze iets heel goed kunnen doen, als ze de rijke bron die in hen schuilt maar willen aanspreken.

Basisopvattingen van de moedertaal-methode:

1. Geen falen

De eerste en de belangrijkste opvatting van Prof. Suzuki over de moedertaalmethode houdt in : er is geen falen. Elk kind spreekt zijn taal. Spreken wordt algemeen beschouwd als de natuurlijkste zaak ter wereld. Nochtans komen wij tot de vaststelling, dat wij geen spraakzintuig hebben, zoals bv. Het zintuig van de reuk de neus is, enz. Dus om fysisch tot spreken te komen moeten wij allerlei organen laten samenwerken, o.a. de longen, het strottenhoofd met stembanden, de keel, de huig, de mond, de lippen enz.: al de ademhalings- en articulatieorganen (die zijn natuurlijk niet altijd bij alle klanken alle werkzaam).

Dankzij het schreien, eerst onbewust, nadien bewust, en later het tateren (het proberen van alle mogelijke combinaties tussen klinkers en medeklinkers), leert het kind met al deze organen omgaan. Deze opsomming maakt duidelijk dat het spreken (zich door middel van klanken uiten) geen natuurlijke functie is van het kind. Het is aangeleerd. Het spreken is dus niet aangeboren en ook niet erfelijk. Wel aangeboren is bij elk normaal kind de geschiktheid om het spreken te kunnen leren in zijn eerste levensjaren, op voorwaarde dat het kind van zijn geboortedag af woorden, klanken om zich heen hoorde en die zo onbewust in het geheugen opnam. Dus: indien het kind geen woorden en/of klanken hoorde in zijn prilste jeugd, dan is dat kind evenmin geneigd om die klanken na te bootsen.

Comments are closed.